Wolkenridder die dagelijks het luchtruim koos om de blauwe luchten te kietelen

Andre de Gelder werd om 17 juli 1928 geboren in Werkendam. Zijn moeder was Clazina Venis (24 september 1901 – 30 december 1931) en zijn vader was Cornelis de Gelder (20 november 1892 – 29 maart 1969).
Cornelis had Clazina leren kennen op de kweekschool in Dordrecht. In tegenstelling tot zijn voorvaderen die honderden jaren lang in de stamboom als Schout en/of Schepen van Werkendam worden vermeld, wilde Cornelis onderwijzer worden. Het was Cornelis echter niet gegund leerkracht te worden: hij was te zenuwachtig om het examen te doen. Clazina slaagde met vlag en wimpel en werd leerkracht op de basisschool van Werkendam. Cornelis werd postbode in de Biesbosch en voer de hele dag met zijn postboot over het water. Werken op het water was voor hem geen beproeving want zijn vader had de wereldzeeën bevaren en gebaggerd in Shanghai, Hamburg, Argentinië en Brazilië en natuurlijk onder Rotterdam voor de Nieuwe Waterweg. Cornelis was tevens uitgever/hoofdredacteur/drukker/bezorger van het plaatselijke, kerkelijke, onregelmatig verschijnende vlugschrift Rond De Toren.
Werkendam was een klein dorp met 1 basisschool en waarschijnlijk ook 1 lokaal. In het lokaal stonden zes rijen tafeltjes en elke rij vertegenwoordigde 1 klas. Clazina werd directeur van de basisschool en tevens de enige leerkracht. Ook zij was haar zenuwen niet de baas en overleed op 30 december 1931 aan een zenuwinzinking.
Voor Andre en Cornelis brak een moeilijke tijd aan. De wereldeconomie was in elkaar gestort in 1929, de spanningen in Europa liepen hoog op en voor een weduwnaar met een kind van 3 jaar oud waren er weinig goede vooruitzichten. Gelukkig kon Andre worden opgevangen door oma. Cornelis ging op zoek naar een vrouw, maar dat was natuurlijk niet makkelijk. Wie wil er nou met een weduwnaar trouwen? Na lang zoeken viel het oog van Cornelis op de een van de zeven dochters van de plaatselijke bakker, te weten: Cornelia van der Steenhoven (1 mei 1896 – 28 juni 1974). Zes van de zeven dochters van de bakker hadden een goede huwelijkspartner weten te strikken, maar de jongste dochter Cornelia was minder gelukkig. Dat was ook de reden dat niet weinig Werkendammers haar als Assepoester behandelen. Maar Cornelis had weinig keus en trouwde Cornelia. Cornelia had weinig op met Andre dus die bleef bij oma wonen.
Andre deed het goed op school. In die tijd waren er, zeker op het platteland, niet echt heel veel middelbare scholen en zeker niet in Werkendam. Als je op 12-jarige leeftijd van school kwam, ging je meestal ergens werken als leerling. Alleen als je opvallend goed kon leren, werd soms het advies gegeven naar de middelbare school te gaan. Probleem echter was de dichtstbijzijnde Hogere Burger School (HBS) in Dordrecht was gevestigd. Dat was weliswaar slechts 30 kilometer verwijderd van Werkendam, maar in die tijd waren er nog nauwelijks auto’s en het openbaar vervoer was niet zoals we dat nu kennen. Er waren natuurlijk wel treinen, maar dat was in crisistijd een dure grap.
Cornelis en Cornelia besloten naar Dordrecht te verhuizen zodat Andre naar de HBS kon. Cornelia was blij dat ze Werkendam kon verlaten, maar ze had nog steeds een hekel aan Andre. Als vader Cornelis niet thuis was, kreeg Andre een pak slaag van Cornelia en ze sloot hem op in de kast. Andre heeft bijna al zijn huiswerk voor de HBS gemaakt bij een kaarsje in de kelderkast.
Aan het eind van de oorlog moest voor het leven van Andre worden gevreesd. De Duitsers hadden een lijst en daarop stond de naam van Andre. Hij was geboren in juni 1928 dus nog maar een kind tijdens de oorlog, maar aan het eind van 1940-1945 hadden de Duitsers zo’n enorm tekort aan mankracht dat ze steeds jongere mensen uit de bezette gebieden deporteerden naar het front als kanonnenvoer of naar wapenfabrieken.
De Duitsers gingen van deur tot deur om “mannen” te zoeken. Ze stopten aan het begin van de straat met een vrachtwagen vol soldaten en werkten zo de hele straat af. Een bijzonder arbeidsintensief karwei natuurlijk en bovendien verwonderlijk want al die miljoenen soldaten die werden ingezet in de bezette landen en voor de Jodenvervolging, waren niet actief aan het front. Het moge duidelijk zijn dat de komst van Duitse soldaten als een lopend vuurtje door straat, dorp en stad ging. Er zat maar een ding op: verstoppen.
Zoals zoveel mensen destijds hadden opa en oma een kamer en suite. Een voorkamer en een achterkamer gescheiden door een kastenwand met in het midden twee glazen schuifdeuren van glas in lood. Links en rechts van de schuifdeuren zowel in de voorkamer en in de achterkamer zaten de kasten. Boven de schuifdeuren en de kasten zat een loze ruimte waarvan de meesten het bestaan niet wisten en die ook niet toegankelijk was. Opa had vanuit de slaapkamer aan de voorkant van het huis een luik gemaakt naar de loze ruimte en dat was maandenlang de verblijfplaats van Andre. Hij had een steek, een deken, zijn boeken van de HBS en een kaarsje. De Duitsers konden elk moment van de dag en dus ook van de nacht binnenvallen dus waakzaamheid was geboden. Opa en oma sliepen nauwelijks.
Op een vroege maandagochtend gebeurde het. Er werd op de deur gebonsd en geschreeuwd. (Waarom Duitsers altijd schreeuwen is mij een compleet raadsdel.) Met veel kabaal kwam en een half leger binnengestormd om het hele huis te doorzoeken. Andre zweette peentjes. Nou wil het geval dat oma een enorme poets was. Elke dag werden de houten vloeren geboend en de tientallen kleedjes geklopt. Bij elke deur lagen twee kleedjes: eentje voor de drempel en eentje achter de drempel. Ook kleedjes voor de wasbak, bij het fornuis. Toen een zeer lijvige, appelronde Deutsche Stabsgefreiter, schreeuwend omdat hij Duits was, zwetend omdat hij de trap moest “hochklettern”, en bijeengesnoerd met een extra, stevige, dikke, leren riem waaraan zijn geweer hing en een drankfles en nog een hele rits andere soldaatbenodigdheden, niet goed oplette en het tweede kleedje achter de drempel van de slaapkamer aan de voorkant van het huis over het hoofd zag, werd de dikke Duitser gelanceerd. Met kleedje en al kwam hij even van de grond en viel toen met een enorme klapper terug op de planken. Zijn geweer raakte eerste de vloer en daarna viel het rondbuikige varken erbovenop. Het geweer ging af en de kogel boorde zich in het been van de soldaat die achter hem stond. Andre had het niet meer natuurlijk. Hij wist dat dit het einde van zijn leven was. De loze ruimte boven de glas-in-lood-deuren zou zijn graf worden. De angst sloeg hem om het hart. Hij dacht dat er op hem geschoten werd.
Maar net zo snel als dat ze waren gekomen, vertrokken de Duitsers weer. De Stabsfefreiter werd van de grond gehesen door drie soldaten en daarna werd de gewonde soldaat teruggebracht naar de vrachtwagen die in de lege straat op hen stond te wachten. Vloekend en tierend stommelde de dikke Duitser de trap af. Andre kon eindelijk weer ademhalen.
Na de oorlog kon Andre zijn HBS afmaken. In de rumoerige jaren na de oorlog moest het land worden opgebouwd. Er was heel veel kapot, er was armoede en alles was op de bon. In de vijfde klas van de HBS kreeg Andre slechts 1 keer beroepsvoorlichting: een vertegenwoordiger van de Technische Hogeschool in Delft kwam vertellen dat de studie Vliegtuigbouwkunde fantastisch was. Het gevolg was dat de hele klas aan de TU ging studeren.
Na afronding van de studie ging Andre aan de slag bij Rijks Luchtvaartdient (RLD) op Schiphol als vliegtuigbouwkundig ingenieur. Schiphol was toen nog klein en er waren nog nauwelijks vliegtuigen. De meeste mensen hadden nog nooit van het woord vakantie gehoord en zeker niet van een vliegvakantie. Voor Andre was Schiphol wel een hele leuke speeltuin. Het was klein genoeg om iedereen te kennen: de mensen die bij Schiphol werkten, bij de KLM, bij Fokker, bij de RLD, in de verkeerstoren, in de windtunnel. Vliegen was zijn leven. Of het nou een rammelende, 1-motorige zeepkist uit WOII was of een nieuw toestel van Fokker. Hij vloog alles. Hij was een wolkenridder die dagelijks het luchtruim koos de blauwe luchten tegemoet. Het wekte dan ook verbazing toen hij na tien jaar Schiphol verliet en naar Philips in Eindhoven vertrok. Philips had zo’n groot tekort aan personeel dat ze potentiële kandidaten gouden bergen beloofden (en ook gaven) inclusief een huis.
Toen hij op Schiphol werkte is Andre getrouwd met Annie Schilt uit Dordrecht. Annie en Andre kregen twee kinderen: Cornelis (René) en Rita. In 1962 verhuisde het gezinnetje van Amsterdam naar Veldhoven. Niet met de auto maar met de trein zeulend met hele zware koffers. Toen het gezin in Veldhoven aankwam was het beloofde, riante huis nog niet af. Dus eerst een pension. Maar omdat Rita en René te veel herrie maakten, moest het gezin uitwijken naar een vakantiepark.
Bij Philips mocht Andre kiezen wat hij wilde gaan doen. Hij koos voor Normalisatie. Standaardisatie. Hij moest ervoor zorgen dat in hele wereld in elke land dezelfde stekkers zouden worden gebruikt of dat alle videorecorders van alle merken in alle landen dezelfde videosystemen zouden hebben. Veel reizen, veel dikke rapporten maken en oneindig geduld hebben. Uiteraard kreeg hij zeker niet overal medewerking van de concurrenten. Zo kon het gebeuren dat hij met de Japanners aan het vergaderen was over de invoering van 1 standaard voor videorecorders en videocassettes voor de hele wereld en tegelijkertijd tot zijn verbazing op het nieuws moest zien dat Sony Betamax lanceerde.
Vanwege slechte gezondheid is Annie (30 december 1929 – 8 mei 1990) op veel te jonge leeftijd overleden. Andre had het geluk om na het overlijden van zijn echtgenote een hele, lieve vrouw te ontmoeten die toevallig ook Annie heet, te weten: Annie Goossens. Onlangs waren Annie en Andre 25 jaar getrouwd en dat hebben alle kinderen en kleinkinderen van het bruidspaar nog uitbundig kunnen vieren.

Tijdgeest

Mijn opa (1892-1969) was een enorme pechvogel. In tegenstelling tot zijn vader (1864 tot 1935, sleepbootkapitein op de Klaas in Shanghai, in Argentinië, Paraquay en Danzig) zijn zwager (loco-burgemeester), zijn voorouders over een periode van 400 jaar (schout, schepen, ouderling, diaken, schipper, visser in Werkendam) wilde opa niet het water op, maar onderwijzer worden. Hij kon goed leren op het de lagere school, dus mocht hij als een van de weinigen in Werkendam naar de HBS, maar ja, daarvoor moest hij wel naar Dordrecht toe, want in Werkendam hadden ze natuurlijk geen middelbare school. Iedereen ging daar na de lagere school op 12-jarige leeftijd werken. Die HBS ging ook lekker en de kweekschool daarna ook, maar toen begon de ellende: hij was te zenuwachtig om voor het examen te kunnen slagen. Hij trok het niet. Dus dan maar terug naar Werkendam. Nou wil het geval dat hij op de kweekschool Clazina Venis had leren kennen, een leuk meisje dat wel haar examen wist te halen. Clazina ging mee naar Werkendam en werd (waarschijnlijk de enige) onderwijzeres op de lagere school. Ze was tevens hoofd van de school. Voor mijn opa zat er toch niks anders op dan het water op te gaan, maar hij wilde niet te ver weg van zijn Clazina, dus werd hij postbode in de Biesbosch, want onderwijzen mocht hij niet. In 1928 werd mijn vader geboren, maar niet lang daarna stierf Clazina aan en mysterieuze ziekte. Opa bleef achter zonder vrouw, zonder baan in het onderwijs, zonder liefde, zonder toekomst, maar met een baby. Gelukkig kon zijn kind bij zijn moeder terecht zodat hij op zoek kon gaan naar een nieuwe “liefde”. Hij vond een vrouw in de plaatselijke bakkerij. De bakker had zeven dochters, zes daarvan mooi en beschaafd en inmiddels al getrouwd, maar de zevende was lelijk en onaardig en kon niet aan de man komen. Een assepoester in de bakkerij. En zo werd ze ook behandeld. Als een sloof. Mijn opa bevrijdde haar uit haar netelige positie. Hij kon op zijn leeftijd en met een baby niet kieskeurig zijn en was blij een vrouw gevonden te hebben. Daarmee had mijn vader een stiefmoeder. Met haar vergeleken was de boze stiefmoeder van sneeuwwitje een engeltje.

Mijn vader woonde daarom noodgedwongen bij zijn oma, maar toen ook hij veelbelovende resultaten behaalde op de plaatselijke dorpsschool, verhuisde het gezinnetje naar Dordrecht waar mijn vader de HBS afmaakte en later de opleiding vliegtuigbouwkunde aan de TU Delft afrondde. De meeste tijd zat hij bij een kaarsje in een kast te studeren omdat zijn stiefmoeder hem niet kon luchten of zien. Mijn opa daarentegen probeerde het beste ervan te maken. Hij fietste de hele stad door om post te bezorgen, hij was altijd buiten en was bijzonder geïnteresseerd in de voortgang van de techniek. Hij had twee oorlogen meegemaakt en een hongerwinter. Hij kwam uit een klein dorp dat rond de eeuwwisseling nog afgesloten was van de buitenwereld (geen radio, geen elektriciteit, geen stromend water, geen riool) en was getuige van het na-oorlogse Nederland met de komst van de eerste auto, het eerste vliegtuig, de eerste televisie-uitzending, de eerste ruimtevaarder. Als ik nu terugkijk op het leven van mijn opa lijkt het wel alsof hij vanuit de Middeleeuwen gekatapulteerd is naar de moderne tijd. Wat doet dat met je? Kan je dat eigenlijk allemaal wel bijbenen?

Op deze vragen weet ik natuurlijk niet het antwoord, maar ik weet wel dat hij tussen de oude en de nieuwe tijd heen en weer werd geslingerd. Zo stond de enorme radio op een grote tafel met een gigantisch kleed eromheen gedrapeerd. De bakelieten stekker had een eigen plek naast het radio-apparaat. Elke dag om 11.55 uur sprong mijn opa op van de keukentafel en riep: “ De berichten.” Dan liep hij naar de woonkamer om het moderne, kostbare bezit te ontdoen van het kleed. Daarna werd uiterst minutieus, voorzichtig en eerbiedig de stekker in het stopcontact geschoven. Daarna werd de radio aangezet. Eerst wat geruis en gepiep en dan eindelijk “De berichten”, het nieuws van 12.00 uur. Na het nieuws de radio uit, de stekker eruit en het kleed eroverheen. Dat was het weer voor die dag. In het hele huis werd nagenoeg geen elektriciteit verbruikt. Als het donker was, werd er “geschemerd” in de serre. Stromend water was er wel, geen warm water, het fornuis werd met kolen gestookt, een badkamer bestond niet, een douche ook niet. Als ik bij mijn opa achterop de fiets zat, stopte hij bij elke stuk hout dat hij zag. “Voor het fornuis.” Dan rende ik ernaartoe en zo verzamelde ik bij elke fietstocht achterop de fiets zakken vol houtjes. Ook de hongerwinter had diepe indruk op hem gemaakt. Hij had zichzelf beloofd dat hij zich dat niet een tweede keer zou laten overkomen.

Omdat het huis in de Boeroestraat in Dordrecht een kelder (souterrain) had net zo groot als de oppervlakte van het hele huis, werd een flink deel daarvan ingericht als voorraadkamer. Dus als ik met mijn opa achter op de fiets naar de winkel was geweest en een pak suiker had gekocht, moest het pak suiker een plaats krijgen achter de vijftig pakken suiker die er al stonden in de voorraadkast opdat het oudste pak suiker vooraan bleef staan.

De voorraadkast stond zo afgeladen vol dat een gemiddeld gezin het wel een jaar of vijf zou vol houden voor het geval de Duitsers weer zouden terugkeren.

Oorlog

Mijn moeder (geboren in 1929) had vijf broers en vijf zussen en woonde in Dordrecht. Haar vader was een strenggereformeerde kruidenier. Toen ze elf was, vielen de Duitsers binnen. Ze was geen oorlogsslachtoffer, maar wel een slachtoffer van de oorlog. Er was angst, er was steeds minder voedsel te krijgen, de één na de andere school ging dicht, eigenlijk stond het hele leven stil. Wat vijf mooie jeugdjaren hadden moeten worden, werden vijf jaren van “overleven”. Letterlijk en figuurlijk. Met een gezin van elf kinderen was het een hard gelag in de oorlog en in het bijzonder in de hongerwinter. Toen was er gewoon helemaal niks te eten.

Drie van haar broers waren al een keer door de Duitsers op transport gezet naar die Heimat. Ze kwamen alle drie terug omdat ze halverwege Duitsland kans hadden gezien uit de trein te springen. Lopend terug naar Holland. Een heimelijke terugtocht in de nacht zonder eten en drinken en schone kleren. Je wist niet wie je kon vertrouwen in de Heimat en als je al wat te eten kon vinden, moest je het jatten. Maar als je een kip uit een hok pikte, liep je wel de kans gepakt te worden. Zeker als je het in je hoofd haalde de kip nog te “bereiden” en niet rauw op te eten.

In oorlogsfilms wordt het natuurlijk altijd mooier voorgesteld dan het was, maar in werkelijkheid was het een hemeltergende beproeving om aardappels bij de boer te gaan halen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Dordrecht, onder de rook van Rotterdam, werd weliswaar omringd door boerenland, maar mijn moeder was natuurlijk niet de enige die eropuit werd gestuurd om aardappels te halen. Iedereen stuurde zijn bevallige jonge dochter met een paar gouden ringen naar de boer om een pondje aardappels te bemachtigen. De meeste mensen hadden trouwens helemaal geen gouden ringen meer over en zouden een moord doen om wat te eten.

Bovendien werden alle toegangswegen naar Dordrecht bewaakt door de Moffen. Iedereen werd gecontroleerd. In het bijzonder bevallige, leuke meisjes die met opzwaaiende zomerjurkjes lachend, maar doodsbang en broodmager kwamen aanfietsen. En een pondje aardappelen voor een gezin met elf kinderen was natuurlijk helemaal niks. Dat is een halve aardappel voor iedereen. Eet smakelijk. Dus de volgende dag moest opnieuw de lange tocht naar het boerenland worden gemaakt om een pondje aardappeltjes onder de rok door de controlepost te smokkelen.

Het is trouwens waanzin om te stellen dat na de bevrijding op 5 mei in Nederland alles weer normaal was. Voor heel veel mensen veranderde er helemaal niks. Er was op 6 mei echt niet weer voedsel. Alles was op de bon. En alles was kapot. Bruggen moesten weer worden aangelegd. Amerikaanse militairen brachten weliswaar kauwgom, sigaretten, chocolade en nylonkousen, maar daar kon een gezin met 11 kinderen echt niet het buikje van rond eten.

Het is dan ook onzin om te stellen dat de generatie “babyboomers” na de oorlog opgroeide in “vrijheid en blijheid”. Vrijheid misschien wel, maar heel beperkt, en van blijheid kon weinig sprake zijn. De meeste mensen hadden oorlogstrauma’s opgelopen en dat werd er bij de “babyboomers” met de paplepel ingelepeld.

Van Post Traumatisch Stress Syndroom had toen nog niemand gehoord, maar volgens de maatstaven van nu had half Nederland dat syndroom. “En die Marshall-hulp dan?” Wikipedia daarover: “De hulp bestond tussen 1948 en 1952 concreet uit geld, goederen, grondstoffen en levensmiddelen. Voor veel mensen maakte deze hulp het verschil tussen leven en dood.” Het gaat te ver om alle “babyboomers” als zielig te bestempelen, maar zeker is dat een niet gering percentage van hen kan worden beschouwd als tweede generatie oorlogsslachtoffers.