Onze ontmoeting met Nicolae Ceausescu

Door Ed Roodbeen

In 1973 gingen we z’n vijven in een citroengele Lada 1500 Stationcar op vakantie naar Constanta aan de Zwarte Zee in Roemenië. Vijf man plus hond in een Lada gepropt, tent (tweedehands, 100 kilo, veel te zwaar) boven op het dak. Mooie route langs de Donau. Een afstand van 2400 kilometer door het Oostblok, met angstaanjagende grensovergangen, mannen met mitrailleurs, spiegels om onder de auto te kijken, een speciaal apparaat om de benzinetank te onderzoeken, heel veel verschillende papieren, visa, voor elke land inentingspapieren voor de hond, voor elk land hadden we in Den Haag al bij de ambassades  plaatselijke valuta moeten kopen wegens een “verplicht te besteden bedrag per man per dag”.

Eigenlijk liep de reis gesmeerd. In het Oostblok waren nog niet of nauwelijks snelwegen, dus je zat soms uren achter een zigeunerkar met houten wielen van seizoenarbeiders of achter een militair transport dat met vijf kilometer vooruit sukkelde en net zo breed was als twee weghelften. Daar kwam je dus echt niet voorbij. De reis duurde dus een week.

Eenmaal aangekomen in Constanta konden we de camping niet vinden. Hij moest ergens langs het strand liggen. Uiteindelijk maar gevraagd aan een voorbijganger. “Ben je blind of zo. Daar is de camping. Dat zie je toch wel.” Het bleek dat het strand de camping was. Je mocht je tent opzetten waar je wilde. Net als iedereen hadden wij onze tent te dicht op de kustlijn gezet. Toen het vloed werd, moesten we in allerhaast de tent weer afbreken en verderop weer neerzetten.

De tijd op de camping was geen onverdeeld genoegen. Ik denk dat er wel 25 mensen per dag de tent kwamen inwandelen. Ze vroegen om een boterham, geld, een spijkerbroek, eigenlijk alles. Het was armoe troef daar. Een voordeel had het verblijf in Constanta wel. Op zoveel mogelijk harde valuta binnen te slepen, konden toeristen voor 100 gulden een round-trip maken naar Beiroet, Kiev, Istanbul, Athene en nog veel meer andere plaatsen. Je vertrok om een uur of vijf ’s ochtends en was de volgende ochtend om dezelfde tijd ongeveer weer terug. Geradbraakt. We vlogen met  een oude Tupolev. Het was iedere keer weer een wonder dat het toestel van de grond kwam. Als het lampje met “fasten your seatbelts” aanging, zochten de meeste passagiers tevergeefs naar de veiligheidsriemen.

Het was het jaar van de oliecrisis. Dus wij hadden benzinebonnen. Inwoners van andere landen waren niet zo fortuinlijk. Bijvoorbeeld de Oost-Duitsers in hun tweetakt-Trabantjes. Die Oost-Duitsers stonden er om bekend in de zomervakantie met miljoenen tegelijk in hun Trabant heel Oost-Europa af te reizen. Toen de benzine op was, kwamen er tankwagens uit Oost-Duitsland om al die Trabantjes voor benzine te voorzien die met een lege tank langs de kant van de weg stonden. Soms wel een week

Bij elk benzinestation stond minstens een rij van vijf kilometer Roemeense auto’s die stonden te wachten (soms weken lang) tot er een tankwagen met benzine zou langskomen. Toen ik benzine nodig had, sloot ik mij achter in de rij aan. Maar dat was niet de  bedoeling. Wild zwaaiend met hun armen lieten de Roemenen weten dat ik door moest rijden. Ik reed dus langs de file, kwam bij het benzinestation en daar stonden minstens tien benzinepompbedienden mij naar binnen te wenken. Voor Westerlingen met harde valuta was er benzine genoeg. Ook toen mijn benzinebonnen allang op waren en ik tegen de voorschriften in met Deutsche Mark betaalde.

Net over de grens van Roemenië hadden we geld gewisseld op de zwarte markt. Niet echt moeilijk want je hoorde wel 100 keer per dag gesis en “change”. De koers was vijf keer meer dan we van de ambassade hadden gekregen, dus we voelden ons rijk.

In Boekarest hadden we het duurste en mooiste restaurant uitgezocht. Een groot restaurant van voor de Tweede Wereldoorlog. Alles was nog intact. De gouden kroonluchters, de damast linnen servetten en tafelkleden, het zilver bestek: we werden terug in de tijd geslingerd. In 1 woord prachtig. Ze maakten zelf handgeschreven iedere dag een nieuwe menukaart, niet zo maar eentje, maar eentje met goudbrokaat van een enorme afmeting. Alles dagvers. Natuurlijk spraken wij geen woord Roemeens en de obers geen woord Engels of Duits. Dus wij bestelden het duurste gerecht. “Nee, dat hebben we nu”, schudde de ober. Er liepen minstens vijftig obers rond, keurig gekleed met stijve boord, ze bogen als knipmessen. Dan maar het op 1 na duurste gerecht. “Nee, dat hadden ze ook niet.” Toen we de hele kaart hadden afgewandeld, bleek dat ze helemaal niks hadden. “Ja , wat heb je dan”, riep ik vertwijfeld. “We have for everybody to like”, zei de ober. Een minuscuul lapje schouderkarbonade met heel veel aardappels en vette jus. Het werd geserveerd door vijf obers in schalen met zilveren ronde deksels. Blijkbaar was hier sinds het interbellum helemaal niets veranderd en deden alle obers alsof de Russische bezetting  slechts van kortdurende voorbijgaande aard was. Voor vijf gerechten moest we 1 D-mark afrekenen.

Boekarest had een leuke camping midden in de stad. Daar was een soort Vondelpark waar je je tent mocht opzetten. ’s Ochtends kon je melk en brood kopen bij een minuscuul klein houten winkeltje van 1 bij 1 meter dat midden op het gras stond. De rij was lang. Het duurde wel een uur voor ik aan de beurt was. Ik bestelde melk en brood en kaas en griste een briefje van 100 uit mijn achterzak. Wat ik niet in de gaten had, was dat het een briefje van 100 Deutschmark was. De man keek me aan alsof hij water zag branden. Zijn mond viel open. Hij sloot meteen zijn winkel en stuurde alle andere klanten terug naar hun tent. Ik moest met hem meekomen naar de bosjes. Daar telde hij het geld uit dat ik voor 100 mark kon krijgen. Hij vergat de melk en het boord en de kaas in rekening te brengen.

Ik was al vaker in het Oostblok geweest en ik was een doorgewinterde wisselaar. Mij nam niemand in de maling. Ik kreeg altijd de hoogste koers. Op een keer siste een man “change” ik zei ja. “Honderd Deutschmark”,  zei ik. Nee, daar kon hij niks op verdienen. “Driehonderd Deutschmark”. Ok, ook goed. Voor 300 D-mark zou ik 60 flappen krijgen. De hoogste koers. Hij moest het geld even ergens gaan halen en kwam terug met een stapel geld. Als stoere wisselaar liet ik mij natuurlijk niet zomaar in de luren leggen. Ik telde de biljetten 1 voor 1. Het waren er 58. Met veel misbaar gaf ik het pak geld terug en beende ervandoor. “Ok, ok, jij je zin”, riep de wisselaar. Hij haalde nog twee briefjes uit zijn binnenzak. “Hier dan 59 en 60.” Ik trok de 300 D-mark uit mijn zak en ruilde mijn 3 bankbiljetten voor  zijn 60 bankbiljetten. “Kijk”, zei die. “Er komen mensen aan. Vlug stop weg.” Dus ik stopte het geld in mijn zak en liep weg. Toen ik honderd meter verder mijn pak geld weer uit mijn zak haalde, had ik twee briefjes van 100 en de rest was toiletpapier.

Er werden natuurlijk elke dag toeristen opgelicht, maar dit vond ik toch wel heel erg sluw. Ik had de stapel van 58 biljetten (wat ook een prima koers was), kunnen houden en weglopen. Maar de sluwe vos wist dus dat ik die 58 biljetten zou teruggeven zodat hij ze kon verwisselen met het toiletpapier.

In het noorden van Roemenië leefden een paar miljoen Volksduitsers. Duitsers die al eeuwen langen in Roemenië woonden, voornamelijk boeren. Vanaf de 12de eeuw trokken vele Duitsers uit het Heilige Roomse Rijk ofwel het Duitse rijk oostwaarts om daar te boeren. Bij de val van Oostenrijk-Hongarije waren deze Duitsers eigenlijk al statenloze burgers. Na de Tweede-Oorlog werd hun situatie nog veel erger. Ze hadden geen pas, geen rechten, ze mochten geen land meer bezitten als straf voor de daden van hun fascistische vaderland. Als ze in de slagerij (niet dat er veel te krijgen was behalve worst en varkenspoten) stonden, werden ze alles laatste of helemaal niet geholpen. Ze werden met hun nek aangekeken en hadden weinig de verwachten van het communistische regime. De meesten zijn in 1990 “huiswaarts” getrokken. Ook in Bulgarije, Moldavië en Transnistrië kwamen we veel verdrietige Volksduitsers tegen.

We liepen een keer verveeld door het lelijke Boekarest tussen de torenhoge bronzen beelden van Lenin, Staling, Marx en vooral Nicolae Ceausescu langs de brede lanen met namen als Boulevard van de Grote Revolutie, De Overwinning in de Grote Oorlog, Nicolae Seausescu Boulevard toen er ineens van alle kanten militairen kwamen aangereden. Vrachtwagens vol militairen en materieel. Tevens kwamen er zo’ 50 stadsbussen aangereden met “gewoon volk”. Iedereen moest in een rij gaan staan langs de Boulevard van de Communistische Heilstaat. Wij ook. Een commandant die veel weghad van Jeanine van Pinxteren, maar dan in militair uniform en een rijzweep, sloeg iedereen op zijn plek. Iedereen kreeg een groot bord aan een stok in zijn hand gedrukt met de beeltenis van Ceausescu en een of andere Afrikaanse despoot. Toen iedereen voorzien was van borden, plakkaten, vlaggetje, slingers en spandoek, kwam er in een noodgang een open  limousine met escort langsgescheurd met daarin de grote leider en zijn Afrikaanse vriend. Iedereen moest juichen en springen en joelen. Alles bij elkaar duurde het hooguit een half uurtje. Bij navraag bleek dat het “gewone volk” uit fabrieken en scholen was gecommandeerd om de grote leider toe te juichen. Iedereen wist hoe het moest. Het gebeurde regelmatig.