Circumcisie

Door Ed Roodbeen

De juffrouw van het reisbureau kijkt mij   meewarig aan, maar toch teder, zonder medelijden, toen  ik   zei dat ik eigenlijk niet zo goed wist waar naartoe ik wilde. “Londen misschien of New York of Moskou”, was mijn antwoord op de vraag waar de reis naar toe ging. Ik had nog nooit zulke mooie ogen gezien. Betoverend, biologerend, diep, zwart met een beetje bruin.  Ik moest meteen denken aan een tante die ik ooit had. Mooie Maria. Bella Maria. “Hoer”, noemde mijn moeder haar. Maria was de vrouw van een broer van mijn moeder. Zijn naam was Hendrik. Hendrik kwam uit een strenggereformeerd gezin en trouwde op jonge leeftijd met de katholieke Maria. Lang zwart golvend haar, gitzwarte zigeunerogen, sensuele volle, altijd felrode, lippen. Ik was pas elf toen ik haar voor het eerst zag. Met mijn koffertje liep ik achter oom Hendrik de gang van het huis binnen. In de keukendeur stond tante Maria in een zwarte onderjurk. Ik stond gehypnotiseerd onder de kapstop, half verscholen onder de jassen die er hingen. Voor het eerste leerde  ik  mijn mannelijkheid kennen. Een natte broek was het resultaat én natte ogen van de angst.  Ik wist niet was er was gebeurd. Ik schrok  me dood. Wist me geen raad. Als een klein kind stond  ik te janken tussen de jassen. Tante ontfermde zich meteen over me. Ze pakte me  warm en liefdevol en zijdezacht en geurig op en sloot  me in haar armen. Mijn onvolwassen mannelijkheid ontlaadde zich weer en  nu tegen haar buik. Tante bracht  me naar bed, gaf  me  thee en koekjes en zei dat  ik maar even moest slapen. Ome Hendrik had zeven dochters. Eigenlijk vijf.  Twee dochters waren uit een eerder huwelijk van tante Maria. Een weekje bij tante Maria en ome Hendrik leidde tot een leven lang zoete herinneringen. Overal waar ik keek, zag ik jarretelles. Mijn zingenotkokkerd kreeg geen moment rust. Dag en nacht werd aan dat onvolgroeide lichaamsdeel gesjord. En dat ging natuurlijk fout. Na een week was er niet veel over van het edel heertje. Helemaal kapot. Mijn moeder schreeuwde moord en brand toen ik thuiskwam. “Wat had die hoer nu weer klaargemaakt.” Ziekenhuisopname was nodig. Het mes moest erin. Circumcisie was onafwendbaar. Nou hadden ze daar in Eindhoven destijds, lang geleden, voordat Philips zich ging interesseren voor ziekenhuizen, weinig kaas gegeten van besnijden, en dus ging het nog mis ook. Na de operatie ontstond een stinkende  infectie.  De hele kinderafdeling van het ziekenhuis rook naar mij. Het hele ziekenhuis kon ruiken dat er een jongetje lag dat werd gestraft voor masturberen. De onanist werd zelfs op een apart kamertje gelegd. Nou ja, kamertje. Het was meer een aquarium. Iedereen kon naar binnen kijken en afkeurende blikken naar het hoofd van de zelfbevlekker gooien. Mijn eenogige slang leek op Jezus van Nazareth. Een doornenkroon van gele hechtingen prijkte op bloederige eikel en ik moest wachten tot ie ervanaf viel. Dat weet ik nu, maar destijds werd mij helemaal niets verteld. Mijn vader en mijn moeder beten nog liever hun tong eraf dan erover te praten.  De artsen in het ziekenhuis communiceerden met mijn ouders en niet met mij. Ik wist dus helemaal niet waarom ik daar lag; laat staan ik wist wat het nut was van de bloederige en pijnlijke en stinkende slagerspraktijken.