Een Hollander in Brabant

door Ed Roodbeen

Enigszins beteuterd stond mijn moeder te kijken naar het verregende schoolrapport dat ik mee naar huis had gebracht. “Uw zoon is bevorderd naar de volgende klas, mits hij de school verlaat.” Zelf was ik helemaal niet zo onder de indruk ervan, want ik kreeg elke jaar precies hetzelfde zinnetje op mijn eindrapport. En dan moest mijn vader dus eind juni in allerhaast, voordat de scholen voor zes weken dicht gingen, op zoek naar een nieuwe school. Zo stond ik dus ieder jaar op een ander schoolplein. Ik was altijd de nieuweling “uit Holland”.

“Uit Holland” heeft me mijn hele leven achtervolgd. Mijn ouders verhuisden in 1961, toen ik zes jaar oud was, van de Anton Waldorpstraat in Amsterdam bij de Kolenkit  (poepchique buurt destijds, aldus mijn vader) naar Meerveldhoven. Ik heb tot mijn dertigste in Brabant gewoond, maar ben (volgens de Brabanders althans) altijd een Hollander gebleven. Pas op mijn dertigste kon terugvluchten naar mijn “thuisland”.

Omdat ik een “brutaaltje” was, kreeg ik overal de schuld van: als de school in de fik stond, als de driewieler van de SRV (Samen Rationeel Verkopen) in de sloot lag, als de deuren van de school waren dichtgelijmd, als er 1000 rollen toiletpapier over de school waren uitgerold, als de tegenstanders bij het voetbal een blauw oog opliepen, als het paard van de aardappelboer losgebroken was, als het zwembad was leeggelopen, als er ergens in het dorp een meisje een uur te laat thuis kwam. De veldwachter stond altijd bij ons op de stoep. “Of ik er meer van wist?”

En geloof het of niet, ik heb dat “Hollandse” nooit van mij af kunnen schudden, hoe goed ik mijn best ook deed om Brabants te praten. Frappant voorbeeld: Ik was 23 jaar ongeveer, werkte bij het Helmonds Dagblad, had op een  avond nog op de redactie een uitnodiging gekregen voor een telefonisch vergadering van de PTT. Aan de lijn de plaatselijke wethouder, de voorlichter, een advocaat en de burgemeester. De wethouder had de boel opgelicht (what’s new) en dat zou ik morgen wel eventjes in de krant zetten. Op de redactie waren alleen mijn chef en ik. De telefonische vergadering werd een welles-nietes-spelletje over bedrieglijke bankbreuk, achterkamertjespolitiek, konkelfoezende 1-2-tjes met de plaatselijke middenstand. Het ging hard tegen hard, maar ik had wel gelijk. Halverwege het gesprek komt de chef naar mij toegelopen en fluistert in mijn oor: “Zo doen ze dat misschien wel in Holland, maar niet hier.” Nou ja zeg. Ik viel echt van mijn stoel. Ik was 23 jaar oud, ik was op mijn zesde naar Brabant gekomen en dan krijg je zo’n opmerking terwijl je gewoon 100% in het gelijk staat.

Vanwege mijn goede prestaties bij Brabant Pers en mijn linkse sympathieën kon ik op mijn 30ste bij de Volkskrant beginnen. Back to my roots, om het zo maar te zeggen. Omdat ik onterecht dacht dat ik in 1984 bij een links bolwerk aan de slag kon, toog ik dus de eerste dag met lang haar en baard en in mijn nieuwe tuinbroek naar de Wibautstraat. Vanwege mijn “Brabantse accent” (en mijn tuinbroek natuurlijk) ben ik toen de eerste dag wel dertig keer “boer” genoemd. Ik voelde me ontheemd. Na 23 jaar terug naar mijn roots en word ik “boer” genoemd.