Voorbereid op terugkeer van de Duitsers

door Ed Roodbeen

Mijn opa (1892-1969) was een enorme pechvogel. In tegenstelling tot zijn vader (1864 tot 1935, sleepbootkapitein op de Klaas in Shanghai, in Argentinië, Paraquay en Danzig) zijn zwager (loco-burgemeester), zijn voorouders over een periode van 400 jaar (schout, schepen, ouderling, diaken, schipper, visser in Werkendam) wilde opa niet het water op, maar onderwijzer worden. Hij kon goed leren op het de lagere school, dus mocht hij als een van de weinigen in Werkendam naar de HBS, maar ja, daarvoor moest hij wel naar Dordrecht toe, want in Werkendam hadden ze natuurlijk geen middelbare school. Iedereen ging daar na de lagere school op 12-jarige leeftijd werken. Die HBS ging ook lekker en de kweekschool daarna ook, maar toen begon de ellende: hij was te zenuwachtig om voor het examen te kunnen slagen. Hij trok het niet. Dus dan maar terug naar Werkendam. Nou wil het geval dat hij op de kweekschool  Clazina Venis had leren kennen, een leuk meisje dat wel haar examen wist te halen. Clazina ging mee naar Werkendam en werd (waarschijnlijk de enige) onderwijzeres op de lagere school. Ze was tevens hoofd van de school. Voor mijn opa zat er toch niks anders op dan het water op te gaan, maar hij wilde niet te ver weg van zijn Clazina, dus werd hij postbode in de Biesbosch, want onderwijzen mocht hij niet. In 1928 werd mijn vader geboren, maar niet lang daarna stierf Clazina aan en mysterieuze ziekte. Opa bleef achter zonder vrouw, zonder baan in het onderwijs, zonder liefde, zonder toekomst, maar met een baby. Gelukkig kon zijn kind bij zijn moeder terecht zodat hij op zoek kon gaan naar een nieuwe “liefde”. Hij vond een vrouw in de plaatselijke bakkerij. De bakker had zeven dochters, zes daarvan mooi en beschaafd en inmiddels al getrouwd, maar de zevende was lelijk en onaardig en kon niet aan de man komen. Een assepoester in de bakkerij. En zo werd ze ook behandeld. Als een sloof. Mijn opa bevrijdde haar uit haar netelige positie. Hij kon op zijn leeftijd en met een baby niet kieskeurig zijn en was blij een vrouw gevonden te hebben. Daarmee had mijn vader een stiefmoeder. Met haar vergeleken was de boze stiefmoeder van sneeuwwitje een engeltje.

Mijn vader woonde daarom noodgedwongen bij zijn oma, maar toen ook hij veelbelovende resultaten behaalde op de plaatselijke dorpsschool, verhuisde het gezinnetje naar Dordrecht waar mijn vader de HBS afmaakte en later de opleiding vliegtuigbouwkunde aan de TU Delft afrondde. De meeste tijd zat hij bij een kaarsje in een kast te studeren omdat zijn stiefmoeder hem niet kon luchten of zien. Mijn opa daarentegen probeerde het beste ervan te maken. Hij fietste de hele stad door om post te bezorgen, hij was altijd buiten en was bijzonder geïnteresseerd in de voortgang van de techniek. Hij had twee oorlogen meegemaakt en een hongerwinter. Hij kwam uit een klein dorp dat rond de eeuwwisseling nog afgesloten was van de buitenwereld (geen radio, geen elektriciteit, geen stromend water, geen riool) en was getuige van het na-oorlogse Nederland met de komst van de eerste auto, het eerste vliegtuig, de eerste televisie-uitzending, de eerste ruimtevaarder. Als ik nu terugkijk op het leven van mijn opa lijkt het wel alsof hij vanuit de Middeleeuwen gekatapulteerd is naar de moderne tijd. Wat doet dat met je? Kan je dat eigenlijk allemaal wel bijbenen?

Op deze vragen weet ik natuurlijk niet het antwoord, maar ik weet wel dat hij tussen de oude en de nieuwe tijd heen en weer werd geslingerd. Zo stond de enorme radio op een grote tafel met een gigantisch kleed eromheen gedrapeerd. De bakelieten stekker had een eigen plek naast het radio-apparaat. Elke dag om 11.55 uur sprong mijn opa op van de keukentafel en riep: “ De berichten.” Dan liep hij naar de woonkamer om het moderne, kostbare bezit te ontdoen van het kleed. Daarna werd uiterst minutieus, voorzichtig en eerbiedig de stekker in het stopcontact geschoven. Daarna werd de radio aangezet. Eerst wat geruis en gepiep en dan eindelijk “De berichten”, het nieuws van 12.00 uur. Na het nieuws de radio uit, de stekker eruit en het kleed eroverheen. Dat was het weer voor die dag. In het hele huis werd nagenoeg geen elektriciteit verbruikt. Als het donker was, werd er “geschemerd” in de serre. Stromend water was er wel, geen warm water, het fornuis werd met kolen gestookt, een badkamer bestond niet, een douche ook niet. Als ik bij mijn opa achterop de fiets zat, stopte hij bij elke stuk hout dat hij zag. “Voor het fornuis.” Dan rende ik ernaartoe en zo verzamelde ik bij elke fietstocht achterop de fiets zakken vol houtjes. Ook de hongerwinter had diepe indruk op hem gemaakt. Hij had zichzelf beloofd dat hij zich dat niet een tweede keer zou laten overkomen. Omdat het huis in de Boeroestraat in Dordrecht een kelder (souterrain) had net zo groot als de oppervlakte van het hele huis, werd een flink deel daarvan ingericht als voorraadkamer. Dus als ik met mijn opa achter op de fiets naar de winkel was geweest en een pak suiker had gekocht, moest het pak suiker een plaats krijgen achter de vijftig pakken suiker die er al stonden in de voorraadkast opdat het oudste pak suiker vooraan bleef staan. De voorraadkast stond zo afgeladen vol dat een gemiddeld gezin het wel een jaar of vijf zou vol houden voor het geval de Duitsers weer zouden terugkeren.